E. De schatting

Uit HisGIS
Versie door Thomas (overleg | bijdragen) op 24 jul 2021 om 07:20
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In een eerste periode vinden we van de schattingen alleen de resultaten in de sectiestaten maar geen stukken waarin de inzameling van informatie en de be rekeningen opgeschreven werden. Dat veranderde naargelang men de noodzaak van nauwkeuriger richtlijnen inzag en men specifieke formulieren ging voor schrijven.

1. INKOMEN EN BELASTINGKLASSE

a. Het netto-inkomen.

Wat verstond men daaronder en hoe berekende men het? Men hanteerde drie principes :

  1. In de meeste gevallen werd van het bruto-inkomen van de oogst uitgegaan en trok men allerlei regelmatige onkosten daarvan af om het netto-inkomen te bepalen. Dit was het geval voor: landbouwgrond, hooiland, weiland (soms), bossen, enz. Het belastbaar inkomen was dan het gemiddelde van dit netto inkomen over een bepaald aantal jaren.
  2. In andere gevallen nam men de huur- of pachtprijs als basis : moestuinen, weiland (soms), enz.
  3. Soms stelde men het inkomen van goederen eenvoudig gelijk aan dat van gelijkwaardige of beste landbouwgrond (lusttuinen, kanalen, enz.) of bepaalde men dat de schatting van de laagste klasse moest samenvallen met deze van beste landbouwgrond (moestuinen).

Van deze drie principes werd wel eens afgeweken, maar dit eerder uitzonderlijk (zie hierna: bossen, veenderijen). Zij sloten elkaar niet uit, want reeds in 1790 werd de kennis van de pachtcontracten als nuttig beschouwd, ook voor het schat ten van landbouwgrond. Dit werd trouwens in het Rec. M. en later herhaald. De besluiten van 7 juni 1819 en 22 juni 1826 bepaalden op verschillende wijze de periodes waarop het gemiddelde netto-inkomen diende berekend, naargelang men steunde op de prijzen der produkten of op de huurcontracten (zie hierna).

In hoofdstuk III hebben we gemeld, dat vanaf ca. 1826 sterk werd aangedrongen op het gebruik van de pachten als basis van de berekeningen. Dit werd in het Zuiden aangevochten en in welke mate er in de praktijk iets van terecht kwam dient nog bestudeerd.

b. De berekening van het belastbaar inkomen als een gemiddelde van het netto inkomen over een aantal jaren.

In de wet van 1 december 1790 werd gesuggereerd het belastbaar inkomen van een perceel te berekenen als gemiddelde « pour un nombre d'années déterminé ». In de instructie bij die wet werd aangeraden daartoe een periode van 15 jaar te nemen[1]. De wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1898) schreef die 15 jaar voor maar met een toevoeging:

  • men moest geen rekening houden met de jaren waarin het papiergeld in omloop was (vanaf 1 januari 1791),
  • van de 15 opeenvolgende jaren mocht men de 2 jaren met het hoogste bruto inkomen en de 2 met het laagste laten vallen.

In de praktijk deed men dus een keuze van 11 jaren uit de periode 1776-1790. Het was de bedoeling ieder jaar deze periode mee op te schuiven, wat duidelijk blijkt uit de instructie van 2 pluviôse jaar IX (22 jan. 1801) waar men als voor beeld de jaren 1780 t.e.m. 1790 en de jaren V t.e.m. VIII aangaf.

Uit de eerste teksten blijkt niet duidelijk over welke periode men de bereke ning voor gebouwen deed. De wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) schreef echter voor het gemiddelde te nemen over 10 opeenvolgende jaren, en dit werk om de 10 jaar te hernemen.

Op 5 november 1805 werd voorgeschreven de jaren 1783 t.e.m. 1790 en V t.e.m. XI als basis te nemen. Maar het Rec. M., § 446 meldt : « Er zijn veranderingen in de keuze dier jaren gemaakt in de met het gewezen grondgebied van Frankrijk vereenigde departementen, waarin het tijdstip en de langdurigheid van den omloop der papieren munt niet dezelfde geweest zijn »[2]. Die veranderingen blijken wanneer het besluit van 7 juni 1819, LaS, nr. 99, de periode voor de noordelijke provinciën gelijkwaardig poogde te maken met deze voor de zuidelijke en (zowel voor de berekeningen middels pacht- en koopprijzen als op de prijzen van granen en andere produkten) bepaalde op de jaren 1786-1803. Zij blijken ook uit de inleiding op de resolutie van de Directeur-Generaal der Directe Belastingen van 18 december 1820, LA, waar gezegd werd dat de huizen in de zuidelijke provin ciën getaxeerd werden over de periode 1797 t.e.m. 1809 en ... men het daarbij liet terwijl een gans andere oplossing voor het noorden werd opgelegd (periode 1810 1819 voor gemeenten boven en 1786-1803 voor deze onder 3000 inwoners)[3].

Bij besluit van 22 juni 1826 werden voor gans het koninkrijk de volgende periodes vastgelegd:

  • voor landbouwland, grasland en alle gronden die op dezelfde wijze geschat werden nam men de volle periode van 1816 t.e.m. 1826, wanneer ter schat ting gebruik gemaakt werd van de pachtprijzen, en nam men een keuze van 11 jaar zoals tevoren uit de periode 1812 t.e.m. 1826 wanneer de schatting gebaseerd werd op de prijzen van de produkten (de circulaire van 22 juni 1827 kwam voor de graanprijzen terug tot de periode 1816-1826 !);
  • voor polders : 11 opeenvolgende jaren uit de periode 1812 t.e.m. 1826, maar met de suggestie de jaren 1812, 1813, 1825 en 1826 te laten wegvallen tenzij 4 andere jaren « pendant lesquelles des événements extraordinaires survenus dans chaque contrée le feront juger nécessaire » meer gerechtvaardigd leken ;
  • voor bossen : de jaren 1812 t.e.m. 1826, met behoud van de vroegere afwijkende bepalingen ;
  • voor gebouwen : de periode 1816 t.e.m, 1825.

De circulaire nr. 193 (kadaster nr. 7) van 2 januari 1826 schreef voor de con tracten vanaf 1827 in de kantoren van registratie te bewaren. Bedoeling was de volgende perekwatie reeds voor te bereiden. Zover kwam het niet en het re glement van 1841 hield nog steeds vast aan de bovenvermelde periodes.

c. De indeling in klassen.

Aanvankelijk was er geen sprake van een indeling in belastingklassen. Men hoopte tot een schatting te komen waar voor ieder perceel of huis het netto inkomen kenbaar en belastbaar werd. In de instructie bij de invoering van de Franse belasting in deze gewesten (15 fructidor jaar IV, 1 september 1796) werd alleen in die zin gedacht : « L'agent municipal, son adjoint et les commissaires répartiteurs observaient donc d'évaluer le revenu imposable de chaque pro priété...).

De instructie van 3 frimaire jaar XI (24 november 1802) bracht hier veran dering in. Voor de eerste maal werd gesproken van een « classificatie », d.i. een indeling van gronden en huizen volgens het netto-inkomen in groepen van belastbaarheid. Aan de basis lag wellicht de vaststelling, dat de immobiliën konden ingedeeld worden in grote categorieën van ongeveer gelijkwaardige opbrengst en dat men dus tijd kon winnen met die categorieën te vinden i.p.v. goed per goed te taxeren. De term «classering » werd dan gebruikt om een goed te situeren t.o.v. die belastingklassen, b.v. perceel x bestond voor de helft uit grond van 1e klasse, voor de helft uit grond van 2de klasse. Die idee moet al eerder hebben geleefd, maar dan in de departementen, want prefect Faipoult van het Schelde departement schreef per 29 vendémiaire jaar X (21 oktober 1801) voor- en dit zonder enige verwijzing naar wet of ministeriële instructie — de landbouwgrond per gemeente in 3 kwaliteitsklassen in te delen[4]. Hier werd nog niet over de huizen gesproken.

De instructies van 3 frimaire jaar XI (24 november 1802) en 5 november 1805 schreven voor de volgende indeling in de gemeenten aan te houden :

  • voor landbouwgrond : 5 klassen maximum,
  • voor alle andere soorten bebouwing: 3 klassen maximum, maar uitzondering gemaakt voor overheersende teelten waar men ook tot 5 klassen mocht gaan,
  • voor huizen :
    • op het platteland : maximum 10 klassen;
    • in de steden en dicht bewoonde kernen: geen classificatie, maar afzonderlijk te taxeren (circulaire van 24 mei 1810)[5];
    • voor fabrieken e.d.: geen classificatie (brief van 25 maart 1803).

Dit alles betekent, dat de indeling in klassen kan voorkomen op de voorgedrukte formulieren, maar dat al die kolommen niet noodzakelijk moeten ingevuld zijn. Deze richtlijnen bleven behouden gedurende de ganse bestudeerde periode.

2. DE SCHATTING EN BELASTBAARHEID PER GEBRUIK VAN GRONDEN EN TYPES VAN GEBOUWEN

Wanneer de schatting voor diverse soorten grondgebruik en voor diverse types van gebouwen gespecifieerd werd in de instructies, dan zou men kunnen verwachten, dat deze soorten en types ook in de kadastrale documenten voor komen. Dit blijkt niet noodzakelijk het geval. Men deed de schatting (volgens voorschrift of anders), men herleidde de resultaten tot bepaalde belastingklassen, maar in de beschrijving viel men in de eerste jaren soms terug op de summiere indeling : « terres, prairies, bois, maisons ».

Het is ons onmogelijk de praktijk in ieder departement te toetsen aan de voorschriften. We houden ons dus aan de vermelde soorten grond en types van gebouwen en geven voor ieder van hen de wijze van schatten. Dit laatste is dan minder interessant voor het herkennen van documenten, maar kan een element van kritiek zijn op de schattingsresultaten.

a. Bouwland

Over de schatting van landbouwgrond (« terre labourable » of kortweg « terre ») herhalen we, dat zij gebeurde over 11 jaren uit een periode van 15 met weglaten van de uitersten (zie hiervoor). Op die wijze werd de grond getaxeerd in functie van de gebruikelijke teelten en hun geldelijke opbrengst in de regio zelf. Men beschouwde als bouwland alle grond waarop regelmatig granen, hennep, aardappelen, koolzaad, maar ook tabak, enz, werd gewonnen. Ook wanneer hop en groenten niet permanent werden geteeld kon de grond waarop dit gebeurde als bouwland genomen worden. Was het telen van hop permanent, dan werd het hopveld afzonderlijk vermeld (Rec. M. en reglement van 1841). Het Rec. M. scheidde ook de teelt van rijst, mais (« turks-korenland ») en hennep van het bouwland af.

b. Moestuinen

Moestuinen (jardin potager » of - in 1841 — «jardin légumier » en «lé gumier ») werden pas vermeld in de wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798). Zij werden geschat op basis van de mogelijke huurwaarde, maar hun minimum moest gelijk zijn aan het maximum bij bouwland. Dit is zo gebleven.

c. Lusttuinen.

Vanaf de wet van 1 december 1790 en tot het reglement van 1841 vinden we de « terrains enlevés à la culture pour le pur agrément» in belasting gelijkge steld met het beste landbouwland in de gemeente. Alleen werd soms anders om schreven wat daaronder schuil kon gaan. In 1790 en jaar VII vinden we « parter res, pièces d'eau, avenues », later werd alles samengevat als «jardin d'agrément » of lusttuin en in 1841 : <jardins, bosquets, pièces d'eau, drèves ou avenues ».

d. Grasland.

In het jaar IV (bij invoering van het nieuwe systeem) onderscheidde men alleen « prés naturels » en « pâturages ». De eerste categorie diende geschat op dezelfde wijze als landbouwgrond, de tweede - op dat ogenblik als minderwaar dig en moeilijker om schatten beschouwd? — op basis van de gemiddelde pacht prijs.

De wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) onderscheidde 3 categorieën grasland:

  • natuurlijk grasland (« prairies naturelles »): te schatten op dezelfde wijze als landbouwgrond, ongeacht of er geweid of gehooid werd ;
  • aangelegd grasland (« prairies artificielles »): te schatten op dezelfde waarde als landbouwgrond van gelijke kwaliteit;
  • minderwaardig weiland (zoals « pâtis, palus, marais, bas prés»: te schatten op basis ofwel van het netto-inkomen ofwel van de huurwaarde, maar telkens met een gemiddelde voor 15 jaren zoals landbouwgrond.

Het Rec. M. vertaalde «prés » nu eens als weiland, dan weer als hooiland en weidde - wat het hooi betreft - uit over de mogelijke kwaliteitsverschillen. Daarbij werd gesteund op de instructie van 24 november 1802. In feite veranderde er aan de wijze van schatten niets. In het Rec. M. werd wel even aandacht gegeven aan de blekerijen (« blanchisseries »), al was het maar om te beklemtonen dat de opbrengst als blekerij in niets deze als weiland mocht bezwaren. Van die mening blijkt men in 1841 afgestapt : toen schreef men voor de huurprijs als basis te nemen voor de schatting in geval deze huurprijs zeer hoog zou liggen. In 1825 werd dit onderwerp niet aangeraakt.

e. Wijngaarden.

Wijngaarden (toen nog wijnbergen «vignes» genoemd) werden op de zelfde wijze geschat als landbouwland, maar vanaf de wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) werd van het bruto-inkomen eerst nog eens een vijftiende afgetrokken. Deze schattingswijze bleef gans onze periode door behouden.

f. Bossen, boomkwekerijen en boomgaarden.

De wet van 1 december 1790 maakte onderscheid tussen (titel II, § XVIII XIX):

  • bossen welke regelmatig gekapt werden (« bois en coupes réglées »): te schatten volgens de gemiddelde verkoopprijs van hun jaarlijkse opbrengst;
  • bossen (« bois taillis ») welke niet regelmatig gekapt werden : te schatten naar vergelijk met omliggende bossen.

De wet van 20 juli 1791 deelde de bossen anders in, maar werd merkwaardig genoeg niet aangehaald bij de bekendmaking van de Franse wetgeving hier in fructidor jaar IV. Die indeling was :

  • alle bossen jonger dan 30 jaar : te schatten zoals boven;
  • bossen ouder dan 30 jaar: te schatten op hun (koop ?) waarde en - tot hun uitbating, wat wellicht betekent totdat zij de eerste keer gehakt werden — te taxeren alsof zij een netto-opbrengst hadden van 2,5 % van die waarde ;
  • bossen welke in de toekomst 30 jaar oud worden zonder regelmatig gekapt te zijn: zoals deze ouder dan 30 jaar.

De wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) herschikte, maar veranderde in feite niets :

  • bossen (« bois en coupes réglées »): te schatten volgens een gemiddelde opbrengst over 15 jaar;
  • hakhout (« bois taillis »), maar waarin niet regelmatig gekapt werd : zoals onder de wet van 1 december 1790 ; (N.B. : alle bossen jonger dan 30 jaar waren onder beide voorgaande begrepen)
  • bossen ouder dan 30 jaar: cfr. wet van 20 juli 1791.

Het Rec. M. verwijst zowel naar de wet van 1790 als naar deze van het jaar VII (1798) en maakt min of meer duidelijk ( 365-366), dat er een afwijking kan voorkomen op de berekening van het gemiddelde. Wanneer de organisatie van het regelmatig hakken voor een bos meer of minder jaren in beslag nam dan de voorgeschreven 15 jaar, dan diende men het belastbaar gemiddelde op dat aantal jaren te berekenen. Men kan er ook uit afleiden, dat de jaren met extreme in komsten voor de berekening bij bossen behouden bleven. Hakhout waarin niet regelmatig gekapt werd bleef ook geschat zoals tevoren.

Sinds 22 januari 1811 maakte men echter een onderscheid voor bepaalde bossoorten, lichtte men deze uit de voorgaande groepen, samengevat als kreupel of hakhout (« bois taillis »). Daarvan werd nu afgescheiden het opgaand geboomte (« bois en haute futaie » of kortweg « futaie »), dat op identieke wijze geschat werd als het hakhout, maar aanleiding kon geven tot een rangschikking in hogere of lagere belastingklassen. De wijze van indeling in belastingklassen moest dus voor hakhout en opgaand geboomte geheel of gedeeltelijk samenvallen. Er zat achter dit alles een element van bosbouwpolitiek (Rec. M., $ 370, waarvan dan weer afgeweken werd in de circulaire van 19 juli 1826 (Kadaster nr. 34), omdat men de teelt van grotere bomen wou stimuleren. Dat blijkt nog steeds het geval in 1841, toen men het opgaand geboomte, hetzij « bois de haute futaie pleine » (bos volledig uit opgaand geboomte), hetzij « bois de futaie sur taillis » (bos met opgaande bomen tussen kreupelhout) als hakhout beschouwde.

Sinds 1811 ook onderscheidde men nog de pijnbossen (« bois de sapins »), de els- en wilgenbossen (« aulnaies, saussaies »), de kastanje- en olijfbossen (« châ taigneraies », « olivets »), de « moerbeij-plantsoenen » (« plants du múrier ») en de teenbomen (« oseraies »). Deze moesten op hun eigen produktie, eventueel met toevoeging van bijkomstige opbrengst van dezelfde grond, geschat worden.

De wet van 26 september 1814 regelde tenslotte de schatting van de bossen, die uit het openbaar domein vervreemd werden (art. 18).

Boomkwekerijen (< pépinières ») werden vermeld vanaf het Rec. M. en moesten belast worden als bouwland 1ste klasse.

Bij de invoering van de wet van 1790 in het jaar IV werd nog geaarzeld hoe verspreid staande bomen op akker of weiland in aanmerking te nemen : «... il est juste d'y comprendre celui (= le revenu) des arbres qui peuvent y être plantés, mais aussi d'avoir égard à la diminution qu'ils apportent dans la fertilité du ter rain qu'ils ombragent». Dat was wellicht moeilijk om uitvoeren, want de wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) schreef voor verspreid staande bomen of bomen langs de perceelgrens niet te belasten noch in aftrek te nemen.

Later (Rec. M. $ 374) heeft men het alleen over echte boomgaarden met fruit bomen, te schatten volgens eigen produktie maar met eventuele toevoeging van de opbrengst van tussentijdse of bijkomstige teelt. Het is dan wel eigenaardig, dat men in 1825 enkel verwees naar de grote indeling voor bossen van het jaar VII en over vruchtbomen alleen handelde bij het hoofdstuk over de belasting vermindering.

De circulaire nr. 264 van 19 juli 1826 (kadaşter nr. 34) nam de periode 1812-1826 als basis, maar men mocht ook vroeger opklimmen.

g. Veenderijen. =

De wet van 20 juli 1791 bepaalde, dat een turfstekerij gedurende de eerste 10 jaren van de uitbating moest geschat worden op het dubbele van de op brengst van het jaar vóór men met uitbaten begon. Na die 10 jaar moest de schatting gebeuren naar analogie met de omringende gronden (d.w.z. niet de om ringende boorden heide maar in een breder geheel bekeken). Dit bleef zo.

h. Braakliggende gronden.

Deze « onbebouwde en ledig liggende landen, heiden en wildernissen » (« bruyères, terres vaines, terres vagues »), of hoe men ze ook noemde, moesten ook belast worden volgens hun gemiddelde netto-opbrengst. Wel gold een minimum van 3 deniers per morgen (van fructidor jaar IV af) of 50 centimes per metrische morgen (van het jaar VII af) of, volgens de instructies van 1825, een minimum van 1 decime per ha. of ca. 5 cent per bunder.

i. Nieuwe ontginningen of teelten.

Poelen en moerassen bleven na drooglegging toch belast op hetzelfde niveau als tevoren :

  • gedurende 25 jaar vóór de wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798),
  • gedurende 30 jaar bij die wet.

Gronden die 25 jaar lang braak lagen bleven ook op hetzelfde niveau belast:

  • gedurende 25 jaar bij landbouwontginning,
  • gedurende 30 jaar bij bebossing,
  • gedurende 25 jaar bij beplanting met wijngaard, moerbei- of fruitbomen.

Door de wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) (maar met behoud van wat onder voorgaande wetgeving reeds was toegezegd) veranderden alleen de termijnen als volgt:

  • braakliggend gedurende 15 jaar en landbouwontginning : 10 jaar,
  • braakliggend gedurende 10 jaar en bebossing : 30 jaar,
  • braakliggend gedurende 15 jaar en beplanting : 20 jaar.

Vertrok men van cultuurgrond om te beplanten of te bebossen, dan gold :

  • voor beplanting met fruitbomen e.d. een behoud van de bestaande aanslag voor die grond gedurende 15 jaar ;
  • voor bebossing :
    • 30 jaar taxatie zoals gelijkwaardige grond vóór 3 frimaire jaar VII (23 november 1798);
    • 30 jaar taxatie op 25 % van gelijkwaardige grond door die wet.

j. Waterwegen

De eigenaar van een kanaal was in het jaar VII gehouden een gedetailleerde verklaring van inkomsten en kosten voor te leggen. De gemeentelijke, eventueel kantonnale overheid controleerde deze opgave en stelde het belastbaar netto inkomen vast. Of dit ook gebeurde voor een gemiddelde over 10 of 15 jaren werd nergens bepaald. Alleen moest — in geval het kanaal zich uitstrekte bin nen één kanton of één gemeente — het tarief overeenstemmen met het gemiddelde tarief toegepast voor dat kanton of die gemeente (« au taux moyen de celle qui sera supportée par les autres propriétés du canton», «de la commune»). Wat dit precies betekende werd pas bepaald door de wet van 25 april 1803. Deze stelde de kanalen gelijk met het beste bouwland in die gemeente. Het besluit van 7 juni 1819, art, 6 en 7, zwakte die gelijkstelling af tot een maximum. Overschreed het kanaal de omschrijving van gemeente, kanton of departement, dan was de naasthogere instantie belast met de schatting, maar met het overleg tussen departementele overheden als hoogste niveau (het ministerie kwam niet tussen)[6].

Irrigatiekanaaltjes en watergangen, aangelegd voor bedrijven en molens, zouden belast worden in verhouding tot hun oppervlakte en volgens tarief van de aanpalende gronden.

De nieuw aangelegde kanalen kregen gedurende 30 jaar een vermindering in de taxatie: zij zouden in die periode slechts aangeslagen worden volgens de gronden welke zij doorkruisten. Vroeger vastgelegde, gehele of gedeeltelijke vrijstelling bleef behouden.

Kort voor het Rec. M. zou men ponten, schuiten en molens of baden op schuiten belastbaar hebben gesteld volgens twee derden van hun opbrengst of huurwaarde. Omdat rivieren onbelastbaar waren heeft dit wellicht aanleiding gegeven tot betwisting. Bij dezelfde circulaire van 24 januari 1826 waardoor het vissen op rivieren belastbaar werd, heeft men ook de veren als « immobilia» van de rivieren gescheiden.

k. Visserijen en veren.

Vanaf het jaar VII werd de netto-opbrengst van visvijvers geschat zoals gebruikelijk (over 11 jaar in een periode van 15). Vanaf 24 november 1802 werd daaraan toegevoegd dat men de opbrengst van de visserij slechts op 1:x nam in het geval in de vijver slechts om de x jaar werd gevist. Dit laatste werd niet herhaald in 1825. Gronden die nu eens visvijver dan weer bouwland waren moes ten volgens de gemiddelde opbrengst van beiden geschat worden. In hetzelfde jaar maakte men ook onderscheid voor de zgn. staarten van poelen (« queues d'étangs ») tussen hun gebruik als viswater en hun verpachting als weide of maailand.

Bij circulaire 198 van 24 januari 1826 werd de belasting op de visserij uitgebreid tot de rivieren (vrijgesteld van belasting bij 3 frimaire jaar VII-23 november 1798), want de rechten op het gebruik van de rivieren werden nu als « immobilia » gescheiden van de rivieren zelf.

l. Zoutwinningen.

Deze werden afzonderlijk vermeld door het decreet van 15 oktober 1810 en belast alsof het beste landbouwgrond was (uiteraard niet de gebouwen: deze volgens hun huurwaarde).

m. Mijnen en groeven.

Zij werden geschat zoals de aard en de oppervlakte van de gronden welke zij innamen.

n. Gebouwen.

Bij de invoering van de belastingwetten, fructidor jaar IV, onderscheidde men enkel :

  • Woonhuizen : te belasten op 75 % van hun huurwaarde ;
  • fabrieken e.d. : te belasten op 2/3 van hun huurwaarde;
  • gebouwen uitsluitend dienend voor de landbouw: enkel te belasten op hun oppervlakte als beste landbouwgrond.

Van deze principes is men niet meer afgeweken. Wel werd er een tijdlang gedebatteerd over de huizen op het platteland en bewoond door de eigenaars, Hadden deze wel een huurwaarde? De wet van 3 vendémiaire jaar VI (24 september 1797) besliste van wel.

De wet van 3 frimaire jaar VII (23 november 1798) schreef voor bij het schatten onderscheid te maken tussen de grond waar een gebouw op stond, te schatten als beste landbouwgrond, en de «opstal». Alleen gebouwen, uitsluitend bestemd voor de landbouw, bleven volgens hun grondoppervlakte belast zonder meer.

Dezelfde wet maakte onderscheid tussen woonhuizen :

  • zonder verdieping: met een minimum dat overeenstemde met het dubbele van de beste landbouwgrond ;
  • met 1 verdieping: met een minimum dat overeenstemde met het 2-voud daar van; met 2 verdiepingen en meer: overeenstemmend met het drievoud daarvan.

De zolder of dergelijke werden niet als verdieping gerekend, dit in tegen stelling tot de kelders e.d. (Rec. M. $ 394).

Alle openbare gebouwen, gaande van het Pantheon tot verdedigingswerken, waren altijd onbelastbaar. De nationale domeingoederen, bestemd om verkocht te worden, moesten geschat worden maar bleven onbelast zolang verkoop of verpachting uitbleef.

  1. « Celui (nl. die periode) de quinze ans a paru le plus convenable pour les terres qui pro duisent le plus ordinairement des bleds, des orges, des avoines, des chanvres, des lins et autres plantes annuelles ».
  2. Wat niet belet, dat het modelboek bij het Rec. M. toch alleen die jaren vermeldt: zie alb. 76.
  3. Bijlage 14 bij de Wetten en Verordeningen op de grondbelasting van 1825.
  4. R. Gent, Scheldedepartement nr. 928. Collega H. Coppens wees er ons op hoe oud deze indeling wel was. Waaruit we kunnen besluiten, dat Faipoult hier terugviel op (of bij gebrek aan bekwame schatters misschien moest teruggrijpen naar) een indeling welke ver achterop stond bij de mogelijkheden van de 18de eeuw!
  5. De reden zou geweest zijn, dat alleen in de steden voldoende huurcontracten op papier werden gezet.
  6. Zie afb. 75.